De vis in de boom

De rivier

De planken van de boot naar het stadje buigen diep door naar het stilstaande water eronder dat bruingrijs is en waaruit een geur van verrotting stijgt.
Op straat voetballen kinderen met een levende rat. Luid piepend rent het dier heen en weer tot het – na een laatste welgemikte trap – niet meer verder kan en stuiptrekkend blijft liggen.
Onder een houten afdak slachten mannen een koe. Met bijlen en messen wordt op het kadaver ingehakt. Het zand onder hun blote voeten kleurt langzaam rood.

Het begint te regenen, eerst zacht, maar al snel gutst het water in stromen langs de haastig neergelaten dekzeilen. Papegaaien vliegen luid kwetterend over. In de kruin van een boom beweegt traag een luiaard. Een kaaiman waggelrent op hoge steltpoten naar de oever en glijdt in het water.

Als de regen ophoudt, hangen langs de rivier gieren hun vleugels als zwarte lakens over de takken te drogen. Op het dak van een boot dansen meisjes op het ritme van de Boi Bumba.

Het is de loomheid die hier allesbepalend lijkt, in het ritme van het water, in de manier waarop de kapitein over het stuurwiel hangt, bijna alsof hij slaapt, terwijl het geluid van de motor in monotone cadans van de voorbijglijdende oever weerkaatst.
Witte reigers zweven als lichtvlekken door het groen van de bomen en over het water. Voor zijn huis zit een man. Hij zwaait. Met zijn grote pet lijkt hij op de trompettist. Bye, bye, blackbird. Een vrouw, haar borsten bloot, wast kleren in de rivier, dezelfde rivier waaruit een kind, de handen tot een kom gevouwen, water schept en drinkt.

De kapitein wijst. Een leguaan. Prehistorische roerloosheid.

De vrouw uit São Paulo kijkt. “Waarom zit die vis in die boom?”

© C. Cornell Evers