Terug naar de Amazone 1

Papegaaien vliegen krijsend op. Met de loop van zijn geweer tilt Nelson de slang van de boomstronk, de kop van het dier is door het schot weggeslagen. Hij wijst op de hoornige staart. De lanspuntslang is de meest gevreesde slang van Latijns‑Amerika. Door zijn schutkleur is het een mijn: hij ontploft als je erop trapt, maar soms ook eerder. Zijn beet is niet alleen pijnlijk, maar door de hoeveelheid gif levensgevaarlijk. Naarmate we verder van Airão verwijderd raken, wordt de begroeiing hechter. Gras en doornen snijden als scheermessen door mijn huid, boomwortels grijpen naar mijn enkels.

Terug bij de rivier. Ooit was het een handelscentrum, maar sinds de laatste bewoners vanaf begin jaren zestig Airão verlieten is het een spookstad geworden. Alleen het kerkhof is nog zo goed als intact, alsof de plunderaars daar niet durfden te komen. André, Nelsons vader, komt er soms om tussen de oude graven coca‑planten te plukken. Het gewas wordt door de inheemse bevolking gebruikt om epadu te bereiden, een ceremonieel stimuleringsmiddel, waarvan het gebruik onder druk is komen te staan. Gefrustreerd door het uitblijven van succes in de strijd tegen de Colombiaanse cocaïne‑smokkel in het Amazonegebied, is de Braziliaanse federale politie begonnen met het vernietigen van inheemse gemeenschapstuinen waar alleen voor eigen gebruik werd geteeld.

André zit bij het vuur en snijdt pijlen voor zijn blaaspijp. Hij straalt rust uit bij alles wat hij doet. Alleen die middag, toen ik hem vroeg naar het gif voor zijn pijlen, flikkerden zijn ogen.

Het is nacht. Een schurend geluid en het breken van takken maakt me wakker, alsof er iets groots en zwaars door het bos wordt gesleept. “Reuzenotter”, fluistert André. In zijn stem klinkt ontzag door. Ik luister naar het geritsel van de bladeren en het zuchten van de wind. Vuurvliegjes zwerven als dwaallichten langs de bomen. Uit de top van een stronk klinkt een spookachtig schateren.