Van rock & roll naar een hangmat in de Amazone (1)

Om eerlijk te zijn had ik niets met Tropicália, de beweging die in de jaren zestig tijdens de dictatuur in Brazilië het establishment uitdaagde met een eigenzinnige mix van muziek, theater, avant-gardistische poëzie en kunst. Tenminste niet in de tijd dat ze ontstond. De psychedelische muziek van de Summer of Love reikte mij de sleutel waarmee ik van de Rooms-Katholieke kostschool kon ontsnappen. Mijn vrijheid heette vervolgens eerst progrock en later punk en new wave.
In 1984 – ik werkte inmiddels bij het muziekblad OOR – stuurde een bevriende muzikante mij een cassette met muziek die haar inspireerde: Os Mutantes. De sleutelwinkel uit mijn internaattijd bleek een Braziliaanse vestiging te hebben, die ik tot dan over het hoofd had gezien. Niet dat ik geen Braziliaanse muziek luisterde. Ik was vertrouwd met de filmische klanken van meestergitarist en componist Egberto Gismonti, met de eigenzinnige percussie van Naná Vasconcelos, met de avontuurlijke conceptalbums van singer-songwriter Milton Nascimento. Ik luisterde naar jazzdrummer en -percussionist Airto Moreira en diens vrouw, de prachtige zangeres Flora Purim. De Amerikaanse avant-garde gitarist en vocalist Arto Lindsay, opgegroeid in Brazilië als zoon van presbyteriaanse zendelingen, zette mij verder op het Braziliaanse spoor.
In 1989 produceerde Arto Lindsay, samen met toetsenist Peter Scherer, Caetano Veloso’s experimentele no wave album ‘Estrangeiro’, met daarop bijdragen van onder anderen Naná Vasconcelos, Carlinhos Brown en de gitaristen Bill Frisell en Marc Ribot. Twee jaar later stond het eveneens door de gitarist geproduceerde album ‘Circuladô’ van Caetano Veloso in mijn jaarlijst op nummer 8. Op 6 in diezelfde lijst stond ‘Lust’ van Arto Lindsay’s eigen project Ambitious Lovers, met Caetano in een opvallende gastrol. Inmiddels vroegen collega’s zich af of ik van mijn muzikale geloof was gevallen, ik die toch vooral schreef over in wagonladingen decibellen grossierende bands als Sonic Youth, Swans en Einstürzende Neubauten. Brazilië, dat was toch geen rock & roll.
In 1990 reisde ik voor het eerst naar het land. Ik overleefde in de Amazonejungle een aanval van bijen, had in het waterland van Ilha de Marajó een koortsdelirium, werd met een eenmotorig vliegtuigje in de bush opgepikt en naar een ziekenhuis gevlogen en danste in Salvador, Bahia met de drummers van Olodum. Brazilië bleek behoorlijk rock & roll. Vier jaar later verruilde ik de redactiestoel bij OOR voor een hangmat in de Amazone in het noorden van Brazilië. Daar zag ik Caetano Veloso voor het eerst live, in Manaus, metropool in het tropisch regenwoud.

Het is zondagmiddag en de omgeving van Avenida Manaus Moderna aan de oever van de Rio Negro is bijna uitgestorven, als iemand mijn naam roept. Het is mijn oude naam, de naam die in Manaus niemand kent. Ik kijk om en daar staat Hildo Tikuna, met zijn vrouw Carmen en Geferson, een van hun zonen. De verbazing gaat over in blije verrassing. Zolang, vele jaren, hebben wij elkaar niet meer gezien. De laatste keer was in Enepü, een kleine inheemse gemeenschap in het regenwoud dichtbij de grens met Colombia waar Hildo en zijn familie een teruggetrokken leven leidden. Hildo is in Manaus, omdat hij ziekenhuiszorg nodig heeft. Een bloedziekte. Wij praten, over de Tikuna en over Enepü, waar Hildo’s verwanten nog altijd wonen, en over Pedro Inácio Pinheiro, zijn schoonvader, die een belangrijke rol speelde bij de bevrijding van het Tikuna-volk van de onderdrukking door kolonisten en bij het terugkrijgen van hun landrechten.

Dan lopen wij naar de rivier die in ons leven zo’n belangrijke rol speelt en kijken naar de andere kant, waar het regenwoud ligt, en onze herinneringen.

Stroomopwaarts

Manaus, juni 1990

De smalle ongelijke straatjes van Manaus zijn gevuld met een kakofonie van schreeuwen, toeterende auto’s en muziek. Radio’s en geluidsinstallaties blèren. Overal is lawaai. De lucht is warm en vochtig. Het is vierenveertig graden Celsius. Eén terras vinden we slechts, verscholen op de eerste verdieping van een haveloos gebouw. Er tegenover bevindt zich het Paleis van Justitie, waar het werkrooster voornamelijk lijkt te bestaan uit een eeuwigdurende siësta van koffie- en lunchpauzes.
Op het afgesproken tijdstip stapt een niet al te grote maar stevig gebouwde man op ons tafeltje af en stelt zich voor. Zijn Engels en blonde haar doen een Amerikaan in ballingschap vermoeden. Marco Lima is echter een echte Braziliaan. Tijdens ons gesprek laat hij regelmatig het woord “respect” vallen, zowel met betrekking tot de natuur als de bewoners van het woud. Hij lijkt onze gids te zijn en we besluiten de volgende dag al te vertrekken. Ons reisdoel is de Anavilhanas Archipelago, een grote eilandengroep in de Rio Negro tussen Manaus en het noordelijker gelegen Nova Airão. Een staking van havenarbeiders de volgende morgen blijkt geen beletsel te vormen om ons klaar te maken voor vertrek. De bemanning van de boot bestaat buiten Marco uit een kleine jongen met inheemse trekken, Coruja, en een creool die naar de naam José luistert. Beiden wonen ze op de Lajana, zoals de boot heet. Terwijl José de Lajana langszij een drijvend tankstation naar open water stuurt, geeft Marco ons enkele bijzonderheden over het gebied waar we heen gaan, over de igapó’s, de met zwartwater overstroomde bossen in het Amazonebioom. Het helder zwarte water van de Rio Negro heeft de naam arm te zijn, waardoor er bijvoorbeeld veel minder insecten voorkomen dan bij de Amazone. Toch leven er nog altijd zo’n driehonderd verschillende soorten vis in de rivier. Daarvan is de pirarucu, die meer dan drie meter lang kan worden, de grootste. Overbevissing bedreigt het voortbestaan van deze op een na grootste zoetwatervis ter wereld.
Terwijl onze boot gestaag vordert, wijst Marco op de uitbundige vegetatie langs het water, op de in lange strengen neerhangende luchtwortels, de vele parasieten die in de meest uiteenlopende soorten op gastbomen groeien en woekeren. Het is een wonderlijk beeld met bomen, die door de vele ‘gasten’ ieder op zich een grillige botanische tuin vormen. Na enkele uren varen passeren we op de kust enkele gebouwtjes, een soort nederzetting, met een ouderwets aandoende put en in de kustwand uitgehakte trappen die naar het water voeren. Een leprakolonie. Hier wonen de uitgestotenen.
Nog weer uren later, nadat we in het gebied van de eilanden zijn aangekomen, maken we met een kleine peddelboot een tochtje door het overstroomde woud. Marco wijst op een grote concentratie van luchtbellen in het water. “Piranha’s.” Hij heeft zelf enkele littekens van beten, waarvan een tussen zijn ogen (“de kus van de piranha” ), maar betoogt dat er best met het vraatzuchtige visje te leven valt, als je maar rekening houdt met zijn gedrag. Er zijn zelfs perioden dat de piranha vegetarisch is en leeft van boomvruchten die dicht boven het water groeien. Tegen de avond koersen we af op een boom die zich middenin het water overeind houdt. Voordat de boot wordt vastgelegd, controleren we de takken op slangen. Een enkele hagedis is het enige wat beweegt. Het is inmiddels donker. De hangmatten worden uitgerold en opgehangen. Het is acht uur. Nog maar net in slaap word ik wakker van de regen die op het bovendek neerklettert. Enorme flitsen zetten de omgeving in een spookachtig licht.Terwijl Marco en de beide jongens dekzeilen vastsjorren en de boot meer naar de kant sturen, geniet ik van een onvergetelijk schouwspel.

De volgende dag belooft prachtig te worden, maar zal een confrontatie opleveren die onze trip nogal abrupt zal afbreken. Boven ons zweven enkele haviken, op zoek naar prooi. Kwetterende papegaaien fladderen als felgroene vlekken tussen bomen waarvandaan soms het gebrul van een groep apen doorklinkt. Na het ontbijt maken we ons klaar om met een kleine peddelboot in de dichte begroeiing van de eilanden op piranha’s te gaan vissen. Het kost enige moeite om het woud binnen te varen. Een enkele drijvende stam verspert ons de weg. We moeten al onze krachten gebruiken om de boot daar overheen te trekken. Op een relatief open plek slaan we, met de stokken die als hengels dienen, op het water om de beruchte roofvissen te lokken. Als de beesten na tien minuten nog niet bijten, besluiten we iets verderop te varen. Terwijl Marco de boot met de peddel door het woud stuurt, open ik mijn camera om de film te wisselen. Een zoete geur drijft mijn neus binnen en plotseling bespeur ik een doordringend gebrom bij mijn oren en kriebelt er iets op mijn hoofd. Een steek en nog een en ik laat film en camera in het water vallen. Even denk ik nog dat ik de enige ben die aangevallen word maar dan hoor ik José achter me schreeuwen: “BIJEN!” Overal zitten de ellendelingen, in onze haren en onze kleren. Mijn shirt lijkt in brand te staan. Ik sla woest om me heen. Ik kijk achterom en zie dat José in het water ligt. “Piranha’s”, flitst het door mijn hoofd. “Kaaimannen.” “Aan boord”, brult Marco naar José. Deze hijst zich met moeite uit het water. Zijn been bloedt. Na enkele vergeefse pogingen de buitenboordmotor te starten, springt het ding aan. In vliegende vaart banen we ons een weg door de dichte vegetatie. Alsof de duivel zelf ons op de hielen zit, in de gedaante van een donkere wolk stekende insecten die maar een doel lijken te hebben. Als het woud ons op de open rivier heeft uitgespuwd, laten de bijen ons met rust. De bodem van de boot is bezaaid met bruine lijkjes, doodgemept, verdronken. Een zware aanval, volgens Marco, maar toch mogen we blij zijn, omdat het geen witte bijen waren. José gelooft het allemaal wel en kijkt uitermate somber. In tegenstelling tot de dertig, veertig steken die ieder van ons heeft opgelopen, ziet zijn rug eruit als een rood opgezwollen speldenkussen. Terug op de Lajana ontfermen we ons over elkaar om angels te plukken. Mijn hoofd voelt of er een te krappe Duitse pothelm omheen geklemd zit. We besluiten naar een iets verderop gelegen lodge te varen om wat frisdrank in te slaan. Aangekomen bij een groot houten gebouw dat op palen in het water is gebouwd, wordt Marco tegemoet gelopen door een uit de kluiten gewassen aap. Ze schudden elkaar de hand en lijken even met elkaar te overleggen. Dan kijkt de aap naar ons. Plotseling wemelt het in de bomen van zijn soortgenoten, in allerlei soorten en maten. De een na de ander springt brutaal op de boot. Hangmatten worden als trampolines gebruikt en ik kan op een gegeven ogenblik nog net enkele kledingstukken redden, voordat een chagrijnig kijkend exemplaar er mee in het woud verdwijnt. Nadat de kolonie met enige moeite van de boot is verwijderd en we verfrissingen hebben gekocht, varen we verder. Intussen is José nog stiller geworden dan hij gewoonlijk al is. In zijn voetzool zitten enkele giftige naalden van de palmboom waar hij op terecht kwam toen hij eerder in het water sprong. Als hij over pijn in zijn gehoorgang klaagt, vist Marco daar met een pincet een achtergebleven bij uit. Een uur later hangt niet alleen de bootsjongen maar ook zijn baas kotsend over de railing. Er wordt besloten terug te varen naar Manaus. Coruja neemt de plaats van José in de stuurhut in. Alsof we die dag nog niet genoeg hebben meegemaakt, slaat plotseling het weer om en verschijnen er onheilspellend donkere wolken in de tot dan helblauwe lucht. Het kan er soms rauw aan toegaan op de Rio Negro. De uren durende terugreis, op volle kracht, heeft iets onwezenlijks, met een bemanning die grauw uitgeslagen op het dek ligt, terwijl felle regenvlagen de boot striemen die bokkend door de hoog opgezweepte golven ploegt.

Een hangmat in de Amazone

Papegaaien vliegen krijsend op. Met de loop van zijn geweer tilt Nelson de slang van de boomstronk, de kop van het dier is door het schot weggeslagen. Hij wijst op de hoornige staart. De lanspuntslang is de meest gevreesde slang van Latijns-Amerika. Door zijn schutkleur is het een mijn: hij ontploft als je erop trapt, maar soms ook eerder. Zijn beet is niet alleen pijnlijk, maar door de hoeveelheid gif levensgevaarlijk. Naarmate we verder van Airão verwijderd raken, wordt de begroeiing hechter. Gras en doornen snijden als scheermessen door mijn huid, boomwortels grijpen naar mijn enkels.

Terug bij de rivier. Ooit was dit een handelscentrum, maar sinds de laatste bewoners vanaf begin jaren zestig Airão verlieten is het een spookstad geworden. Alleen het kerkhof is nog zo goed als intact, alsof de plunderaars daar niet durfden te komen. André, Nelsons vader, komt er soms om tussen de oude graven coca-planten te plukken. Het gewas wordt door de inheemse bevolking gebruikt om epadu te bereiden, een ceremonieel stimuleringsmiddel, waarvan het gebruik onder druk is komen te staan. Gefrustreerd door het uitblijven van succes in de strijd tegen de cocaïne-smokkel in het Amazonegebied, is de federale politie begonnen met het vernietigen van de inheemse gemeenschapstuinen waar alleen voor eigen gebruik werd geteeld.
André zit bij het vuur en snijdt pijlen voor zijn blaaspijp. Morgen gaat hij terug naar zijn huis aan de Camanaú, een zijrivier van de Rio Negro en toegangspoort tot het reservaat van het Waimiri-Atroari volk. Hij straalt rust uit bij alles wat hij doet. Alleen die middag, toen ik hem vroeg naar het gif voor zijn pijlen, flikkerden zijn ogen.
“Vertel hem alles, alleen niet wat het tegengif is”, grapte Nelson en André noemde de wortels jacamin, cabari, patoá en irari, waarvan de laatste direct dodelijk is. Maar ook bosvruchten als uaraumá en ubim of envira taia, een boomschors, worden gebruikt bij de bereiding van mauáculiá, zoals curare hier wordt genoemd. Tenminste, als André de waarheid sprak.
“Wees voorzichtig”, had een vriend gezegd die de Waimiri regelmatig bezoekt. “Ze houden er niet van als je te veel vraagt. Ze kunnen met je praten en je het volgende moment vermoorden.”
Nog maar enkele jaren geleden vielen de Waimiri-Atroari de kleine zwarte inheemsen op de linkeroever van de Rio Pretinho aan. Ze vermoordden de mannen, roofden de vrouwen en aten het opperhoofd op. “Vraag je daarnaar”, zei mijn vriend, “dan kunnen ze erg boos worden. Oorlog is voor hen belangrijk. Het is hun trots.”
Het is nacht. Een schurend geluid en het breken van takken maakt me wakker, alsof er iets groots en zwaars door het bos wordt gesleept. “Reuzenotter”, fluistert André. In zijn stem klinkt ontzag door. Ik luister naar het geritsel van de bladeren en het zuchten van de wind. Vuurvliegjes zwerven als dwaallichten langs de bomen. Uit de top van een stronk klinkt spookachtig schateren. Het is de roep van de herpetotheres cachinnans, de lachvalk.

Net voor de samenloop met de rivier de Solimões, iets ten zuiden van Manaus, hoofdstad van de deelstaat Amazonas, vertakt de Rio Negro zich in een labyrint van zijarmen en lagunes. In dit gebied kocht Raimundo Rocha da Silva, zeventig jaar oud, een paar jaar geleden een groot stuk ontboste grond, met de bedoeling het regenwoud dat er ooit groeide, een kans te geven volledig terug te keren. Hij begroet me hartelijk als ik uit de kano stap waarin ik naar zijn land ben gepeddeld. Hij heeft een heldere blik in zijn ogen en hoewel hij klein is, oogt hij opvallend sterk.
De trekken in zijn gezicht wijzen op een gemengde afkomst, wat hier vaak als ‘caboclo’ wordt bestempeld. Veel bewoners van het Amazonebekken zijn ‘caboclos’ of ‘koperkleurigen’. De caboclos zijn de afstammelingen van immigranten die met inheemse vrouwen samenleefden. Zo leerden ze ook op een inheemse manier te leven. Velen van hen zijn ‘ribeirinhos’, oeverbewoners, en bouwen hun huizen op palen in verband met het stijgende water in de vloedbossen, honderdduizenden vierkante kilometers land die ieder jaar opnieuw onder water komen te staan.
Zij planten hun voedsel net als de inheemse bewoners en branden daarvoor, net als de inheemse bewoners, kleine stukken bos plat. Zij weten, net als de inheemse bewoners, hoe ze wilde planten als voedsel en als medicijnen moeten gebruiken. En zij zijn arm. In tegenstelling tot de inheemse bewoners van de Amazone missen de caboclos echter de mediabelangstelling. Iets wat behoorlijk in hun nadeel werkt: net zoals elk ander volk dat bestaat uit arme boeren en vissers zonder folkloristische extra’s, hebben ze geen nieuwswaarde. De caboclos genieten niet de aandacht van internationaal bekende popsterren en mensenrechtenactivisten die het voor hen opnemen. Zij zijn echter ook mensen met een wil tot overleven. De caboclos weigerden in het verleden hun eigen taal op te geven en hebben een geschiedenis van verzet. Die gaat terug tot de grote Cabanagem-revolutie in 1830, toen caboclos de gevangenis in Belém bestormden, de president van de staat Pará vermoorden en een tientallen jaren durende opstand begonnen die zich stroomopwaarts uitbreidde, helemaal tot aan de grens met Peru.

“De caboclos zijn de natuurlijke wetenschappers van het woud”, zegt Raimundo terwijl hij rivierwater kookt om koffie te zetten. “Wij weten uit de ervaringen die we zelf hadden, maar ook door wat wij hebben geleerd van de generaties voor ons, wat goed is voor onszelf en voor de omgeving waarin wij leven. Mijn ouders hebben me meegegeven dat de mens alleen van de natuur mag nemen wat hij echt nodig heeft. Een principe dat mijn hele leven al als leidraad dient.”
Raimundo: “Mijn vader was rubbertapper. Hij vernietigde nooit de natuur. Als mijn vader mijn broer en mij vroeg om een tambaqui te vangen, dan gingen we er met de kano op uit en vingen er een, soms twee, maar alleen de hele grote. Een tambaqui was toen ongeveer een meter twintig lang. Toen kwam er een tijd dat de mensen alle vissen doodden die ze vingen, zelfs de hele kleine exemplaren. En in enorme aantallen. Dat was het einde voor de tambaqui. Hetzelfde geldt voor pirarucu. Een grote pirarucu woog al gauw tachtig, negentig kilo. Dat was het normale gewicht. Probeer vandaag de dag nog maar eens zo’n grote pirarucu te vinden. Mensen gebruiken tegenwoordig netten waarin alle maten vis worden gevangen en waaruit ze de grote halen om te verkopen en de rest laten ze op het strand liggen.”
De bevolking in het Amazonegebied groeit snel. Hoe kun je al die monden voeden, iedereen een menswaardig bestaan geven en toch in harmonie leven met de natuur, wil ik van hem weten. Tenslotte hééft hij de bevolking zien groeien en daarmee het spanningsveld tussen menselijke behoeften en het welzijn van de natuur. “Er is een manier. Wat ik wil is zaden planten, om zo de jungle een nieuwe kans te geven. Ik wil hier palmboomvruchten neerzetten. Die trekken vogels aan. Kokosnoot, ananas. Maar ook kaphout, hardhout voor de mensen hier in de omgeving, rubberbomen. De jungle herstellen, dat is mijn doel. Er is een theorie die zegt dat als het regenwoud eenmaal is platgebrand, er niets meer kan groeien. Ik geloof daar niet in. Als je erin slaagt om bomen te planten die op deze grond kunnen overleven, dan komt ook de rest uiteindelijk terug.”
Hij toont me een stuk grond dat is bedekt met een laag groeiende varensoort. “Zij geven de schaduw”, onderwijst hij, “die de hele kleine zaden nodig hebben tot ze genoeg zijn geworteld om op eigen kracht te overleven. Ik wil mijn land zo organiseren dat ik aan de jungle kan teruggeven wat behoort aan de jungle. Er zijn veel mensen die in dit gebied herplanten. Veel caboclos doen dat door middel van rotatieplantages, net als de inheemse bevolking. Die methode wordt al zolang toegepast als ik me herinner. In feit is het gewoon een kwestie van je gezond verstand gebruiken. Daar zijn geen wetenschappers en universiteiten voor nodig.”

Vroeger, toen hij stroomopwaarts in de scheepsbouw werkte, kwam Raimundo regelmatig in Airão, om er voorraad in te slaan. ’s Avonds, na het avondeten, vraag ik hem naar zijn ervaringen. Hij laat zijn kromgetrokken vingers zien. Er waren altijd veel carapanas, muskieten, daar. Vijf keer had hij malaria gekregen en alleen de laatste keer had hij de medicijnen van de blanken genomen.
Airão was een gewelddadige stad, waar de enige wet die van de eigenaars was. Vier broers uit de Portugees-joodse familie Bezerra, uit het noordoosten van Brazilië, hadden de stad in de negentiende eeuw gesticht en tot in 1962, toen de laatste eigenaar, Francisco Bezerra, Airão verliet, buitte de familie alles uit in het gebied. In het begin hielden ze zich vooral bezig met de verwerking van rubber en paranoten, later kwam daar de handel in schildpadden bij en in pirarucu, de grote roofvis van de Amazone. Er werd op jaguars gejaagd. Zelfs de kaaimannen in de rivier waren niet meer veilig voor de stropers van de Bezerra’s.
De naburige Waimiri vielen de stad regelmatig aan. Tussen 1942 en 1967 werden meer dan zeshonderd mensen door hen gedood. Raimundo vertelt over Domingos Velozo, die hij had leren kennen en die als enige een overval overleefde. “Zijn hele familie was uitgemoord. Op zekere dag, toen de overvallers opnieuw kwamen, wachtte hij hen op met een geweer en een pan vol kogels en doodde ze allemaal. Sinds die tijd vermoordde hij elke Waimiri die hij op zijn pad tegenkwam.”
Hij noemt ook Padre Calleri, een katholieke priester die bij de inheemse bevolking woonde en door hen was opgegeten. “Sommigen inheemse volken eten hun vijanden, niet elke vijand, maar de belangrijke mensen. Niet om hun honger te stillen maar omdat ze boos zijn. Padre Calleri woonde bij enkele families langs de Camanaú rivier, ergens bij de bron, daar waar nu de snelweg van Manaus naar Boa Vista ligt. Na zijn dood viel het leger, dat zich tot dan afzijdig had gehouden, het gebied binnen en doodde veel Waimiri. Dat was in 1967. De stad bestond toen al niet meer.”
“En sindsdien rust er een vloek op de plek?”
“Al veel langer. Er woonde een priester in het stadje. Niemand mocht hem. Niemand wou een priester die hen de les las en zei dat ze niet zo gewelddadig moesten zijn. Op een dag namen ze hem gevangen. Ze sloten hem op in een kippenhok en verkrachtten hem. Niet lang daarna vertrok hij, maar niet nadat hij een vloek over Airão had uitgesproken. Hij schopte het stof van zijn sandalen en zwoer dat de stad in een nest vol mieren zou veranderen. Dat was in 1934.”

Terwijl het woud zich opmaakt voor de nacht, vraag ik hem naar de wonderlijke en vaak gevaarlijke monsters die in het bos zouden leven en waarover allerlei verhalen de ronde doen. Zelf was ik ooit bij Autazes, aan de Rio Madeira. Ik sliep op een boot, samen met een paar caboclos en werd op een gegeven moment ‘s nachts wakker van een hevig kabaal.
Ik zag de angst in de gezichten van mijn metgezellen. De geweren in de aanslag. “Waterjaguar”, riep er een. Ik zag niets. Zo plotseling als het geluid was gekomen, verdween het ook weer. Niemand kon mij vertellen hoe een waterjaguar er eigenlijk uitzag. Het is een reusachtig soort sidderaal, zeiden sommigen. Anderen hadden het over een grote reuzenotter.
Raimundo: “Ik heb er nooit een gezien, maar ik heb mensen gesproken die ermee hebben gevochten. Het dier heeft een platte kop, met een soort snor. Ze leven in diepe, moeilijk toegankelijke moerassen en kunnen runderen en soms ook mensen doden. Ikzelf zag ooit gieren bij een plaats niet ver van mijn werk. Volgens mij aten ze een waterjaguar. Dat is de enige keer dat ik dichtbij zo’n beest was, maar er was nauwelijks nog iets te zien door de verregaande staat van ontbinding.”
Gedurende mijn verblijf in Autazes ging er ook een verhaal dat er een anaconda in het gebied actief was die met gemak een paard zou kunnen verslinden. Het verhaal vormde geen uitzondering. Want hoewel wetenschappers beweren dat deze meest beruchte wurgslang slechts vijftien meter lang kan worden, zijn er steeds opnieuw mensen die beweren anaconda’s van monsterachtige afmetingen te hebben gezien. Mijn gastheer knikt. “De wetenschappers hebben gelijk, want de anaconda die gevangen kan worden, heeft ongeveer de lengte die zij noemen. Maar er zijn grotere, op afgelegen plaatsen.”
Samen lopen we in het nachtelijk duister over zijn land. In het bos klinkt ijl gezang – slangen die hun prooi lokken door vogelgeluiden na te bootsen. Zo ongeveer moeten ook de sirenen geklonken hebben die in het oude Griekenland Odysseus probeerden te betoveren. Als ik later in mijn hangmat lig en de slaap probeer te vatten, hoor ik geritsel op de grond. Ik knip mijn zaklantaarn aan. Een harige spin met poten zo dik als een mannenduim schiet weg uit het zoekende licht, het donker in.

Wordt vervolgd…

Vond je het verhaal interessant, boeiend, de moeite waard om te lezen? Zo ja, mogen wij je dan om een kleine gunst vragen?

Wij hebben je hulp nodig…

Banzeiro is de rockende golfslag van een boot op de Amazonerivier. Banzeiro is een onafhankelijk nieuwskanaal dat zich toelegt op verhalen over de Amazone, een belangrijk klimaatcontrolecentrum van de wereld.

De missie van Banzeiro is: zoveel mogelijk mensen informeren over wat er in de Amazone op het gebied van diversiteit, duurzaamheid en wetenschap allemaal gaande is. Artikelen op Banzeiro lees je gratis. Maar het runnen van een gratis site is niet goedkoop. En daarom doen we een beroep op jou, onze trouwe bezoeker. Help ons Banzeiro in de lucht houden.

Elke bijdrage, groot of klein, die we ontvangen van lezers zoals jij, gaat direct naar de financiering van de journalistiek van Banzeiro.

Met iDEAL kun je via de beveiligde omgeving van je eigen bank de golfslag van Banzeiro ondersteunen. Dank je.



Doneer € -