Pari-Cachoeira, Amazonas, oktober 1997
“Wil je ook?” vraagt Renato. De antropoloog is een schaduw onder het bladerdak, net als de Desana met wie hij, zittend op de grond met zijn rug tegen de lemen hutwand geleund, praat. Het droge klikgeluid van een aansteker. Een schroeilucht van papier met tabak dringt mijn neus binnen. Om ons heen fluistert de nacht.
“Wat is het?” “Ipadú.”
Hij duwt een blikje in mijn handen. “In je wangen en onder je tong.”
Ik schep met een houtje wat poeder uit het blikje. Het lijkt wel zand; het spul knarst tussen mijn tanden. Volgens de lokale bevolking stimuleert dit roesmiddel, gemaakt van de bladeren van de coca-plant, een heldere, positieve geestestoestand. Nadat het blikje een paar keer rond is geweest voelt mijn tong verdoofd, als bij de tandarts.
We zijn in São Sebastião aangekomen vanuit Pari-Cachoeira via de Rio Umari. Wij zijn, naast antropoloog Renato Athias en mijzelf, arts Norimar Oliveira, verpleeghulp Angelo en de Tukano-bootsman Oséas. Mijn reisgezellen werken voor SSL, een onafhankelijke gezondheidsorganisatie met haar hoofdkantoor in São Paulo, die in dit gebied opereert vanuit São Gabriel da Cachoeira, drie dagen varen stroomafwaarts.
Associação Saúde Sem Limites, zoals de groep voluit heet, is de Braziliaanse tak van het Britse Health Unlimited, dat vanuit Londen projecten initieert in gebieden waar mensen door conflictsituaties van gezondheidszorg verstoken zijn.
Samen met dit team trek ik een aantal weken door de oerwouddriehoek die wordt begrensd door de rivieren Uaupés, Tiquié en Papuri, in het noordwesten van het Braziliaanse Amazonegebied, dicht bij de grens met Colombia. Hier, in het stroomgebied van de Rio Negro — die twaalfhonderd kilometer naar het oosten bij de stad Manaus samenvloeit met de Amazone — wonen Tukano, Dessana en Hupd’äh: inheemse volken die hun cultuur en leefwijze eerst door zendelingen en militairen vernietigd zagen worden en vervolgens onder druk gezet door ontbossing.
Pari-Cachoeira ligt aan de Rio Tiquié. Het dorp is de laatste grote inheemse gemeenschap in Brazilië vóór de Colombiaanse grens. Het ligt voorbij de cachoeiras (stroomversnellingen) waaraan de plaats zijn naam dankt. Het dorp wordt gedomineerd door een missiepost van de paters Salesianen. Decennialang drukten die een zwaar stempel op het gebied. Hoewel de invloed van de kerk de laatste tijd afneemt, blijft zij een niet te onderschatten factor. Als ik samen met Renato een dansfeest bezoek, zie ik hoe de mannen hun traditionele lendendoek en verenversiering over hun westerse kleren aantrekken. “Meestal dansen ze naakt”, zegt Renato, “maar vandaag is het zondag en dan houden ze hun kleren aan.”
De Salesianen arriveerden in 1915. In het kader van een agressief bekeringsproces werden inheemse kinderen uit hun dorpen weggehaald en onder meer in São Gabriel da Cachoeira, drie dagen stroomafwaarts varen, in internaten geplaatst. Spirituele en geneeskundige tradities, vaak gebaseerd op sjamanisme en het gebruik van de hallucinogene drank ayahuasca, werden verboden. Voorwerpen van religieus belang, zoals de heilige fluiten van de Tukano, werden vernietigd of verwijderd. Ook de traditionele gemeenschapshuizen, of malocas, die volgens de zendelingen ‘promiscuïteit’ bevorderden, moesten verdwijnen. Mensen werden gedwongen in eengezinshutten te gaan wonen. Zo waren de traditionele processen van besluitvorming en culturele opvoeding al verzwakt op het moment dat de missie de catecheet — vaak een stamlid dat elders een opleiding had genoten — in de gemeenschappen introduceerde. Daardoor kreeg deze ‘vrij spel’.
Het religieuze schrikbewind duurde tientallen jaren, tot 1980, toen de Salesianen in Rotterdam, tijdens het vierde Russell-tribunaal, werden aangeklaagd voor het plegen van ‘etnocide’. Maar voor veel inheemse volken was het te laat. Het leed was geschied: traditionele kennis was uitgewist. Zoals bij de oude vrouw die we ontmoeten en die niet (meer) weet dat de cocaplanten die naast haar hut groeien haar bronchitisklachten kunnen verminderen, en daaraan door een blanke arts, een buitenstaander, moet worden herinnerd.
Met het terugfluiten van de Salesianen was voor de inheemse volken de ellende nog niet over. In 1985 nam een burgerregering het roer in Brazilië over van de militairen, maar de macht van het leger bleef groot. Een aantal generaals ontwikkelde een plan dat later bekend werd als Programa Calha Norte. Het plan werd in het geheim opgezet, met een enorm budget onder directe controle van de militaire ministeries, zonder medeweten van het Congres. Het doel van Calha Norte was de noordgrenzen in het Amazonebekken om te vormen tot een militair gecontroleerd gebied. Er zou een militair bestuur komen, wegen zouden worden aangelegd, kolonisten aangetrokken en legerposten gebouwd. Bovenal zou het aantal officieel erkende inheemse territoria sterk worden verminderd. Voor zichzelf voorzagen de generaals een doorslaggevende stem in de exploitatie van de enorme mineraalvoorraden in de honderdvijftig kilometer brede grensstrook. Calha Norte werd uiteindelijk aan het licht gebracht en scherp bekritiseerd door burgerrechtenactivisten en democratische politici.
Na de ontdekking van Calha Norte veranderden de militairen hun opzet en richtten zich op samenwerking met de inheemse leiders.
Om de gemeenschappen voor zich te winnen werden allerlei diensten aangeboden, met name medische en tandheelkundige hulp. Deze tactiek bleek echter niet te werken en de plannen van de generaals, die er inmiddels wel in waren geslaagd om hun opzet voor een vermindering van inheemse gebieden door te drukken, stootten op groeiend verzet. De inheemse volken gingen een tactisch samenwerkingsverband aan met de katholieke kerk, die graag meewerkte omdat de militairen de infrastructuur die door met name de Salesianen in het gebied was opgezet, drastisch hadden verzwakt.
In 1987 werd een overkoepelende organisatie van inheemse volken in het gebied opgericht, de Federação das Organizações Indígenas do Rio Negro (FOIRN), met het hoofdkwartier in São Gabriel da Cachoeira. In het begin waren er nogal wat tegenstellingen tussen de leiders die zich bij FOIRN aansloten. Zo verzetten sommigen zich niet alleen tegen de aanwezigheid van de militairen, ze wilden dat ook de kerken het gebied zouden verlaten. Nadat deze en andere startproblemen waren opgelost, consolideerde de organisatie zich als een sterke politieke macht. Deze begon ook verder te kijken dan de campagne voor culturele onafhankelijkheid en landrechten. Gezondheid werd een topprioriteit.
Omdat de inheemse volken niet altijd over voldoende ervaring beschikten, werd particuliere hulp gevraagd aan organisaties als het Britse Health Unlimited en het Franse Institut pour le Développement Sanitaire et Milieu Tropical (IDSMT), die hielpen bij het opzetten van een netwerk van gezondheidsagenten.
Padre Norberto Hohenscherer, Oostenrijker en al 45 jaar in Brazilië, waarvan dertig in Pari-Cachoeira, wil wel toegeven dat de missie in het verleden fouten heeft gemaakt. Maar nu gaat alles wel in een heel rap tempo de andere kant op, klaagt hij. ‘De indianen’, zoals hij ze noemt, hebben geen boodschap meer aan de kerk. Ze willen ecotoerisme, zegt hij; geld verdienen. “Ze hebben alleen niet door dat het geld dat op die manier wordt verdiend, vooral bij de grote reisagentschappen en luchtvaartmaatschappijen blijft hangen. En dan heb ik het nog niet eens over corruptie, prostitutie en andere kwalijke zaken die vaak met eco-toerisme gepaard gaan.” Hij zucht: “Het is moeilijk een vader te zijn als de kinderen menen het beter te weten.”
Norberto heeft weinig op met antropologen: “Zij spiegelen de mensen hier voor dat ze in het paradijs wonen.”
De avond ervoor weigert hij ons aanvankelijk een overnachtingsplaats in de missie, die zo groot is als het paleis van de Nederlandse koninklijke familie. Als Renato echter op de priester inpraat en zegt te weten dat de missie indertijd niet met geld van de Salesianen zelf is gebouwd maar met geld van de federale overheid en dus gemeenschapsbezit, draait hij bij. We mogen onze hangmatten ophangen in een zolderruimte vol vleermuizen en muggen die groot genoeg is om een heel regiment te huisvesten.
Bij terugkeer van zijn ronde door het dorp vertelt Norimar dat een dag eerder een driejarig meisje aan diarree is overleden. De inheemse gezondheidswerker die hij sprak wist niet hoe je een rehydratie-oplossing (water, suiker, zout) te maken.
Voor het gemeenschapshuis van Jandu, dat grenst aan São Sebastião, spelen twee volleybalteams, met luid commentaar door een man met een gettoblaster waarin een microfoon is geplugd. Sommige spelers hebben sportschoenen aan, anderen zijn blootsvoets, maar allemaal dragen ze een rood of blauw T-shirt met rugnummer. Achter een tafeltje zitten enkele juryleden. Hun taak is een team selecteren dat in Colombia kan uitkomen.
Er worden pannen en plastic teiltjes het gemeenschapshuis binnengebracht, met daarin tapioca, vis en pepers. Eerst eten de mannen, dan zijn de vrouwen en kinderen aan de beurt. Bij de toespraken die volgen, waarin wij aan de gemeenschap uitleggen wat wij komen doen, zitten mannen en vrouwen eveneens gescheiden.
De volgende ochtend vergezel ik Norimar naar een patiënt waarvan hij vermoedt dat het een geval van terminale tuberculose is.
Zwijgzaam ondergaat de vrouw in het donker van haar hut het onderzoek. Middelen om de diagnose te bevestigen ontbreken. Meer dan de meest fundamentele uitrusting en geneesmiddelen hebben de veldwerkers van SSL niet bij zich op hun tochten, die gemiddeld veertig dagen duren. Het beperkte budget is één reden, maar de kleine aluminium boten waarin het SSL-team reist bieden ook geen ruimte voor een meer uitgebreide uitrusting.
De oplossing voor dit en andere problemen zou een permanente regiobasis zijn, waar vandaan korte tochten ondernomen kunnen worden. Bij de missie in Pari-Cachoeira is een gebouw dat ooit als militair hospitaal diende. Het staat al tien jaar leeg, maar de militaire autoriteiten geven anderen geen toestemming tot ingebruikname.
Een van de prioriteiten van SSL is om inheemse gezondheidswerkers op te leiden en van een basisuitrusting te voorzien. De jonge man die in São Sebastião van Norimar instructies krijgt, kan zijn nieuw verworven kennis van het gebruik van een stethoscoop meteen uitproberen op zijn eigen moeder. Die heeft tuberculose en lijdt daarnaast aan trachoom, een oogziekte als gevolg van een bacteriële infectie die uiteindelijk tot blindheid leidt.
De algemene gezondheidssituatie in het gebied is slecht. Er is een gebrek aan natuurlijke voedingsmiddelen. De Rio Negro en zijn zijrivieren hebben een van nature hoge zuurgraad en daardoor is er weinig leven in het water. De vis die er gevangen wordt, is klein van formaat. Wild om op te jagen is er weinig. Het gevolg is ondervoeding. Ook slechte hygiëne en alcoholisme eisen slachtoffers.
Rapporten op basis van bevindingen van inheemse gezondheidsagenten geven aan dat diarree-gerelateerde ziekten en ademhalingsaandoeningen samen 45% van de belangrijkste doodsoorzaken vormen. In 23% van alle sterfgevallen is de doodsoorzaak onbekend.

De Desana in Tocandira hebben nog nooit eerder een gezondheidsagent op bezoek gehad. Teams van het ministerie van Gezondheid lieten zich altijd tegenhouden door het grote aantal stroomversnellingen, omgevallen bomen en rotsblokken in de rivieren. Voor ons betekenen die obstakels dat we regelmatig uit onze boot moeten. We dragen de bagage door het snel stromende water, dat vaak tot boven ons middel reikt, naar een hoger gelegen punt en slepen daarna de boot over rotspartijen en stroomversnellingen heen: een werk dat niet ongevaarlijk is.
De avond van onze aankomst viert Tocandira, aan de Rio Umari, een zijrivier van de Tiquié, het feest van São João. Midden in het dorp wordt rond een hoge staak, die behangen is met bananen, een brandstapel opgericht. Als het donker is, gaat de vlam erin. Renato houdt zich afzijdig, omdat, zegt hij, het verbranden van de winter, waarvan het feest is afgeleid, niets met de inheemse tradities te maken heeft: “Het is een Keltische gewoonte die hier niet thuishoort.”
Weinig Keltisch zijn het maniokbier (caxiri), dat de rest van de avond rijkelijk vloeit, en de ipadú, die ervoor zorgt dat met name de oudere mannen groene wolkjes ademen, om hun monden een oranje krans van caxiri vermengd met pompoensap.
Uit de geluidsinstallatie onder het bladerdak van het gemeenschapshuis klinkt krakende muziek. “Kom, dansen”, zegt Oséas, “de vrouwen wachten.” “Renato?” De laatste doet alsof hij niets hoort en gaat door met lepelen.
De vrouw met wie ik dans — een mengeling van salsa en forró, twee huppeltjes naar links, twee naar rechts en soms iets ertussen — en die nauwelijks tot aan mijn borst komt, giechelt de gaten in haar gebit bloot. Na afloop voegt ze zich weer bij de rij van vrouwen die de houten banken met feestgangers langsgaan en hun kalebassen aanbieden om te drinken — eerst aan de mannen, vervolgens aan de vrouwen en daarna zijn de mannen weer aan de beurt.
Keer op keer komen ze langs, allemaal met hun eigen brouwsel dat is gemaakt van geroosterde maniok die is gekauwd, met speeksel vermengd en vervolgens opgeslagen om te gisten. Weigeren is onbeleefd. Een van hen heeft wat ipadú te pakken gekregen. Vrouwen is gebruik van het middel verboden. Ze kijkt dan ook eerst omzichtig om zich heen of niemand haar ziet, voordat ze nieuwsgierig van het poeder likt.
Van Tocandira is het door het regenwoud een uur lopen naar Popomi, dat slechts uit een handjevol hutten bestaat. De bewoners zijn bang. De Hupd’äh zijn van oorsprong nomaden en jagers, en nemen op de hiërarchische ladder van de volken in het gebied de laagste plaats in. Zij wonen dieper in het oerwoud en zijn daardoor meer geïsoleerd dan ‘riviervolken’ als de Tukano en de Desana. Die beschouwen de Hupdé als inferieur. Omdat de inwoners van Tocandira de Hupd’äh liever niet te dicht bij zien komen, jagen ze hen schrik aan met verhalen over kwaadwillende ‘blanken’.

De situatie in Popomi is rampzalig. Er is geen schoon drinkwater en de groep maakt een apathische indruk. Van de 23 personen die de gemeenschap telt, zijn er twee helemaal blind. Oorzaak: trachoom.
In de anatomische en spiritueel-culturele opvattingen van de Hupd’äh bevindt zich in de borst, op de plek van het hart, een centraal levenscentrum, hawäg genoemd. Wanneer een Hupd’äh ziek is, wijst hij vaak eerst naar zijn hart. Ziekte wordt dan gezien als een uiting van verzwakking van hawäg. Tegenover hawäg staat b’atub, de ‘schaduw’, die zich onder meer kan manifesteren in lichamelijke afscheidingen die bij ziekte vrijkomen.
Nieuwsgierig gadegeslagen door honden en kippen snijdt Norimar voorzichtig de haren weg van een baby om wiens hoofd zich zwermen vliegen hebben gevormd, aangetrokken door de zweren waarmee het is bedekt. De vader van het kind verzamelt nauwgezet de haren om ze later te kunnen verbranden. Renato neemt intussen foto’s voor in de medische dossiers; de inwoners, waarvan de meesten zich schuilhouden in de gemeenschapshut, krijgen daarvoor een nummer omgehangen, als bij politiefoto’s.

Terug in Tocandira behandelen Norimar en Angelo een jongetje van wie beide voeten zwaar zijn geïnfecteerd met tungiasis. Dit is een parasitaire huidziekte, veroorzaakt door Tunga penetrans, een zandvlo die zich via de voetzolen een weg naar binnen baant en haar eitjes onder de huid laat uitgroeien. Het kost uren peuter- en snijwerk om de diertjes te verwijderen. Er zijn er tientallen, verstopt onder een dikke laag vuil en etter. Het kind huilt hartverscheurend. Zijn moeder, die toekijkt, sist dat hij stil moet zijn. Gewoonlijk verwijderen de ouders zelf de parasieten. Dat het in dit geval zover heeft kunnen komen dat het kind eigenlijk in een ziekenhuis en onder verdoving geholpen zou moeten worden, heeft te maken met het feit dat de moeder te veel kinderen heeft om zich met allemaal bezig te kunnen houden. Bovendien is het jongetje zwaar ondervoed. Kinderen hier moeten hun eten zelf bij elkaar graaien. Wie slechte voeten heeft en niet hard kan lopen, vist regelmatig achter het net. Als hij voor de zoveelste keer begint te huilen, een en al pijn en verdriet, wordt het me plotseling te veel. Ik krijg het benauwd, loop het bos in en schreeuw mijn frustraties uit. Boven mij in de bomen hipt een herpetotheres cachinnans, de lachvalk, schaterend tussen de takken heen en weer.
Zij dragen het woud, de lasten en de pijn — de onzichtbare kracht van vrouwen in de Rio Negro
Het zijn meestal de vrouwen die in de inheemse gemeenschappen het meeste werk verzetten. Zij koken en zorgen voor de kinderen. Zij werken op het land en houden zich bezig met de arbeidsintensieve verwerking van maniok, het hoofdvoedsel van de meeste gemeenschappen. Het wekt dan ook geen verbazing dat we op onze reis meer vrouwen dan mannen tegenkomen die ziek zijn.
Tuberculose en trachoom, een pijnlijke ooginfectie die uiteindelijk tot blindheid leidt, komen het meest voor, naast griep, kinkhoest en hepatitis. Met die laatste ziekte is een groot deel van de bevolking geïnfecteerd. Slechte hygiëne en alcoholisme eisen eveneens slachtoffers, en verder is er als gevolg van verkrachting door militairen, maar ook door prostitutie, een groeiend aantal gevallen van geslachtsziekten. Nieuw in het palet van ziekten zijn de rugklachten waar vooral vrouwen — opnieuw — last van hebben. Oorzaak is de ontbossing, waardoor zij soms uren moeten lopen, met zware vracht op hun rug, om voedsel naar de dorpen te brengen. Dit heeft bij veel vrouwen geleid tot chronische rugpijn en aanverwante klachten.
De inheemse gemeenschappen in het Rio Negro-gebied hebben, ondanks onderlinge verschillen, vaak te maken met een sterke mate van mannelijke dominantie. Dit betekent niet dat vrouwen geen stem hebben in de besluitvorming en politiek. Sommige terreinen worden als specifiek van hen gezien, zoals de organisatie van de groententuin, waar de rol van de man zich beperkt tot het ‘schoonmaken’ (onder andere platbranden) van het oerwoud en het aanplanten van ceremoniële planten zoals het hallucinogeen ayahuasca.
Door de voor iedereen duidelijke relatie van de tuin met voeding, ziet het team van SSL dit als een mogelijkheid om vrouwen binnen het gezondheidsprogramma bepaalde verantwoordelijkheden te geven zonder dat dit op culturele weerstand stuit. SSL gebruikt de situatie ook als uitgangspunt om voorzichtig het beeld bij te stellen dat is ontstaan doordat in inheemse tradities geneeskundige rituelen altijd door mannen worden uitgevoerd.
De gemeenschappen kiezen daarom meestal voor mannelijke gezondheidsagenten. Vrouwen voelen zich hierdoor beperkt in hun toegang tot gezondheidszorg, al hoeft dat niet zo te zijn. Het feit dat in gemeenschappen met scholen de leerkracht meestal een vrouw is, geeft aan dat vrouwen zich, ondanks het vaak patriarchale systeem, heel goed in staat achten om een rol op zich te nemen die verder gaat dan die van ‘koningin van de moestuin’. De nadruk die het SSL-team legt op het kiezen van vrouwen als gezondheidswerkers zal echter — noodzakelijkerwijs — van groep tot groep moeten variëren en vereist zorgvuldige antropologische afweging en begeleiding.
In de tweede helft van de jaren tachtig trokken veel inheemse vrouwen uit het stroomgebied van de Rio Negro naar Manaus, de hoofdstad van de Braziliaanse deelstaat Amazonas, om daar te werken in de assemblage-industrie. Toen in 1989 een crisis Manaus trof, werden velen van hen op straat gezet. De meeste vrouwen waren zonder man vanuit de oerwoudgemeenschappen naar de stad getrokken. Na hun ontslag was prostitutie vaak de enige mogelijkheid om, samen met hun kinderen, aan het uitzichtloze bestaan in de krottenwijken te ontkomen. Voor deze vrouwen, die aan de rand van de samenleving leven, werd Associação de Mulheres Indígenas do Alto Rio Negro (AMARN) opgericht, een niet-gouvernementele organisatie van vrouwen van de Rio Negro, waarvan tegenwoordig ook iemand zitting neemt in het bestuur van de door mannen gedomineerde inheemse organisatie Coordenação das Organizações Indígenas da Amazônia Brasileira (COIAB). AMARN stimuleerde de productie van nijverheidsartikelen en organiseerde type- en naaicursussen om de vrouwen en hun kinderen een kans te geven op een onafhankelijk en menswaardig bestaan.
Eén recht hadden de inheemse vrouwen traditioneel in het Rio Negro-gebied: tijdens feesten waren zij het die de mannen uitnodigden om met hen te dansen. In Tocandira, tijdens het feest van São João, zijn het echter de mannen die, de borst vooruit, als trotse haantjes op de vrouwen afstappen. Hoe vooruitgang ook achteruitgang kan zijn.
In Urubu Lago, een gemeenschap van de Desana, ontmoeten we een team van FOIRN: een Braziliaanse antropoloog en zijn inheemse begeleider. Ze zijn hier om de gemeenschappen te informeren over het demarcatieproces, de afbakening van inheemse territoria die ertoe moet leiden dat de volken van de Rio Negro hun historisch recht op het gebied kunnen doen gelden en autonomie verkrijgen. Een en ander moet in april 1998 zijn afgerond.
In het dorp worden we welkom geheten door Gabriel. Hij is de kapitein van Urubu Lago en nodigt ons uit in zijn hut. Het is nog vroeg en op de grond staan de ontbijtpotten klaar. Hongerig scheur ik een stuk tapiocabrood af, schep daarmee wat onduidelijke prut uit een pan en steek het pakketje in mijn mond.
“Dat eten ze in Holland niet, hé?”, lacht de FOIRN-antropoloog.
“Wat niet?”
“Termieten.”
Ik kijk beter. In de brij is inderdaad hier en daar een insect herkenbaar. Het kan me niet schelen. In ons voedingspatroon zit weinig regelmaat. Soms eten we maar één keer per dag: rijst, bonen, een beetje gedroogd vlees, een enkele keer een sterk gepeperde maar waterige vissoep aangeboden door de inwoners van de dorpen waar we te gast zijn. Geen groenten, geen fruit. Sinds het vertrek uit São Gabriel da Cachoeira ben ik flink wat kilo’s lichter geworden en termieten betekenen in ieder geval eiwitten.
Aan proteïnen hebben de inwoners van Urubu Lago, in tegenstelling tot de meeste andere gemeenschappen in het gebied, overigens geen gebrek. Het dorp heeft een veestapel en hoewel het houden van runderen doorgaans als desastreus voor het regenwoud wordt beschouwd, zijn de inwoners van Urubu Lago zichtbaar gezonder dan veel van hun buren.
Een drassig pad brengt ons naar Vehdeh, een klein dorp van Hupd’äh, door buitenstaanders ook wel Maku genoemd. Ze zijn van oorsprong nomaden en jagers en leven diep in het oerwoud. Daar leidt de gemeenschap een kommervol bestaan. De bewoners spreken nauwelijks Portugees; er zijn geen inheemse gezondheidswerkers die hun cultuur kennen, en verder is hun relatie met de Tukano en Desana, die rivierbewoners zijn, problematisch: zij beschouwen de Hupd’äh als inferieur.
De leider van de zevenentwintig leden tellende gemeenschap heet Messia. Hij is een kleine man die er opmerkelijk uitziet, gekleed in een verschoten, gestreepte pantalon en een ouderwets wit damespyjamajasje met ruches. Er wordt, zoals overal elders tijdens onze reis, tabak uitgewisseld en kinderen kijken door de zoeker van mijn camera. Dan is het kliniektijd. Bij één persoon wordt een verwaarloosde tuberculose geconstateerd, vijf anderen zijn besmet.
Het probleem met tuberculose is dat de Hupd’äh de symptomen van de ziekte, zoals voortdurend kuchen, magerte en chronische vermoeidheid, niet als zodanig herkennen. Ziekten zijn voor de Hupd’äh een verstoring van de balans tussen wat zij noemen (ik noemde het al eerder) b’atub en hawäg, energieën die in ieder mens aanwezig zijn. De hawäg of ‘ziel’ is klein bij de geboorte maar groeit tijdens iemands leven. De b’atub is de donkere kant van de mens. Deze is aanvankelijk groot, maar krimpt naarmate de hawäg groeit. Een verstoring van de balans tussen deze twee kan het gevolg zijn van individueel handelen: iemand uit de gemeenschap doorbreekt een bepaald taboe of stelt zich egoïstisch op. De oorzaak kan echter ook magie zijn, of een gif.
Het gebruik van coca, tabak en andere kruiden maakt de Hupd’äh bewust van de eigen hawäg, maar alleen de leider of een ingewijde (altijd een man) kan door dromen de hawäg van een ander en daarmee ziekten lokaliseren. Vervolgens bepaalt hij de kuur. Daarbij speelt het ‘blazen’ onder het uitspreken van magische woorden een rol en kan de patiënt het eten van bepaalde voedingsmiddelen worden verboden. Verder mag hij geen seks hebben of een vrouw aanraken die ongesteld is.
Naast tuberculose is griep de ziekte waarvoor de Hupd’äh het meeste angst hebben. Griep, door hen aangeduid met tuhut, wat ‘snot’ betekent, komt in hun opvattingen van de rivier, waar de blanken wonen. In het dorp Yuyudeh aan de Rio Tiquié brak in 1983 een griepepidemie uit die aan tweeëntwintig mensen het leven kostte. Volgens de ouderen was de ziekte meegebracht door de goudzoekers die destijds in het gebied actief waren. De Hupd’äh zijn zo bang voor griep omdat een mythologische verklaring voor de ziekte ontbreekt en ze zich dientengevolge weerloos voelen. Bij griep wordt doorgaans alles weggehaald en in brand gestoken wat van blanken afkomstig is. Inclusief kleding, tot ergernis van de zendelingen als zij de naakte kinderen in de dorpen zien. Bij kinderen is de hawäg echter nog klein en dus zijn zij het meest kwetsbaar, aldus de Hupd’äh.
In Urubu Lago onderzoekt Norimar een vrouw die veel last heeft van bronchitis. Buiten, direct naast de hut, is een veldje met cocaplanten. “Vroeger zou ze geweten hebben dat ze baat zou hebben bij het gebruik daarvan”, zegt hij. “Haar klachten zouden erdoor verminderen. De cultuur en traditionele kennis van planten die de inheemsen hadden is echter dusdanig vernietigd dat ze heel veel dingen gewoon niet meer weten.”
De reden waarom hij coca zou aanbevelen is puur op farmacologische gronden gebaseerd, zegt hij. “Ik zie een plant die bruikbaar is en ik stimuleer in deze omgeving liever het gebruik van planten die niets kosten, dan dat ik de producten van de geneesmiddelenindustrie propageer. Die zijn wel noodzakelijk maar je moet er voorzichtig mee omgaan. Brazilië kent een enorme hypermedicatie en de inheemse bevolking is daar erg gevoelig voor. Zij willen injecties en pillen, medicijnen waarvan zij geloven dat ze altijd werken omdat ze gemaakt worden door mensen die ook in staat zijn auto’s te maken en vliegtuigen. Natuurlijk kun je niet zonder chemische medicijnen. Voor tuberculose is er gewoon niets anders voorhanden. Maar zij willen overal pillen voor.”
Zou hij met een sjamaan, een ingewijde in de magie van de inheemsen, samen kunnen werken? “Ja, natuurlijk. Niet ver hier vandaan in Colombia, net over de grens, werken de spirituele leiders van de inheemse gemeenschappen naast de gezondheidsagenten. Ik weet niet of ze echt samenwerken, maar de inheemse genezers worden door de medici gerespecteerd. Een van hen vertelde mij dat het aantal keizersneden in de klinieken drastisch is verminderd sinds de leiders daar werken en de vrouwen onder hun hoede nemen. En de baby’s zijn gezond.”
De volgende avond zijn we in Jandu, een Tukano-dorp. Ik kijk in het gemeenschapshuis, terwijl een elektriciteitsgenerator elk oerwoudgevoel wegdreunt, naar een flikkerend tv-beeld. Voor veel inheemse gemeenschappen is televisie het venster op de wereld, de dagelijkse soaps hun belangrijkste referentiekader. Er wordt een Star Trek film vertoond. Ik zie de Vulcan Spock met zijn spitse oren en Captain Kirk die Portugees praat en mompel: “Beam me up, Scotty.”
Gezondheid, traditie en demarcatie in de schaduw van koloniale erfenissen
São Gabriel da Cachoeira, Amazonas, oktober 1997
“Dus wij zijn de boeven?” De jonge militair op het vliegveld van São Gabriel da Cachoeira weet niet hoe hij het heeft. Hij is tandarts en net met zijn studie klaar, net als zijn vriend die naast hem staat en medicijnen heeft gestudeerd. Voor beiden is het garnizoen aan de Rio Negro een plek waar ze werkervaring op kunnen doen. Het gesprek gaat over de eenzijdige berichtgeving waaraan veel media zich schuldig maken als het Braziliaanse Amazonegebied ter sprake komt, in artikelen en reportages waarin inheemse gemeenschappen en rubbertappers altijd goed zijn, en goudzoekers en militairen per definitie slecht. “Maar wij zijn hier gekomen om goed te doen. Militaire aanwezigheid heeft toch ook voordelen”, betoogt de arts. Dan lacht hij: “Als ik dat tegen mijn vriendin zeg, roept ze dat ik me heb laten hersenspoelen.”
In São Gabriel da Cachoeira ontmoet ik de bisschop van het diocees, Dom Walter Juan de Azevedo. Hij zegt met het werk van de niet-gouvernementele organisatie van vrouwen van de Rio Negro AMARN te sympathiseren, maar direct stimuleren zal de kerk dit soort groepen niet, ook al is er onder vrouwen vaak wél interesse voor samenwerking. Wat de kerk steunt, aldus Dom Walter, dat zijn de moederclubs. Opgezet in de gemeenschappen door missionarissen, met als belangrijkste doel het organiseren van de productie van nijverheidsartikelen die door de kerk verkocht kunnen worden, worden de vrouwen van de moederclubs tegenwoordig pastoraal begeleid vanaf het moment dat ze zwanger zijn totdat hun kinderen de leeftijd van drie jaar bereiken.
Gezondheid en educatie hebben altijd deel uitgemaakt van de evangelisatie, vanaf het eerste begin dat de missionarissen in het gebied actief waren. Dat is ook logisch, lacht de bisschop, “Want aan een dode inheemse bevolking heeft een zendeling niets.” Traditie is voor de kerk erg belangrijk, zegt hij, reden waarom de Salesianen het demarcatieproces ondersteunen, dat ertoe moet leiden dat de volken van de Rio Negro hun historische recht op het gebied kunnen doen gelden en autonomie verkrijgen. Dom Walter: “Traditie doet mensen weer leven. De intentie van de kerk is om de culturele identiteit van de inheemse bevolking te versterken, zodat ze inheems en christen tegelijkertijd kunnen zijn.”
In het hoofdkwartier van de FOIRN praat ik met een jonge vrouw die openhartig vertelt hoe zij als kind bij de Salesianen is opgegroeid en hoe zij nu op zoek is naar haar eigen inheemse geschiedenis, haar Tukano-wortels. Over vrouwenorganisaties kan zij mij echter niets vertellen. Daarvoor moet ik bij de president van FOIRN zijn. Onnodig te zeggen dat de president van FOIRN een man is.
FOIRN zet zich in voor de juridische demarcatie van inheemse territoria. Ze krijgt daarbij steun van het Braziliaanse Instituto Socioambiental (ISA), dat vanuit Nederland wordt ondersteund door de Interkerkelijke Organisatie voor Ontwikkelingssamenwerking ICCO. Zonder buitenlandse hulp zou FOIRN niet kunnen functioneren, zeggen Pedro Garcia, de voorzitter van de organisatie, en zijn vice-voorzitter Maximiliano C. Menezes. “Maar het is wel de bedoeling dat we in de toekomst op eigen kracht gaan draaien”, zegt Garcia. Werk is er in ieder geval genoeg, want de demarcatie van de inheemse territoria is nog lang niet afgerond. “De regering wilde hier eerst alleen maar kleine, losse kolonies hebben. Wij streven naar een aaneengesloten gebied; alle volken hier zien zichzelf als één grote familie.”
Die familie bestaat echter wel uit eenentwintig verschillende stammen, zegt Beto Ricardo, antropoloog en coördinator van het Rio Negro-programma van ISA. “Dat maakt de problematiek in het gebied complex. Oplossing vraagt om langetermijnplanning.” Beto noemt als voorbeeld de trek vanuit de oerwoudgemeenschappen naar de steden. “De bevolking van São Gabriel, de belangrijkste stad in het gebied, groeit de laatste jaren enorm. Op zich is er niets verkeerd aan als jongeren naar de stad komen om er te studeren of anderszins. Maar ze moeten wel de mogelijkheid hebben om, als ze dat willen, terug te keren naar waar ze vandaan komen. Dat betekent, en wij werken daaraan samen met FOIRN, dat de leefomstandigheden in de dorpen moeten worden verbeterd. De mensen daar willen gezondheidszorg en onderwijs. Bovenal willen zij geld in hun zakken. Zij willen niet alleen maar ruilhandel. Een beter leven hangt voor hen direct samen met de ontwikkeling van economische alternatieven, zodat er een geldstroom op gang komt.”
Braz de Oliveira Franca, een Baré, heeft bij FOIRN de logistieke leiding bij de afbakening van inheems territorium in het gebied van de Alto Rio Negro. De eerste aanzet hiertoe werd in 1976 gegeven in Pari-Cachoeira. Daar besloot toen een aantal inheemse leiders de krachten te bundelen. De afbakening, zegt Braz, moet in april 1998 worden afgerond met de handtekening van de president van Brazilië, Fernando Henrique Cardoso.
De leiders van FOIRN hebben haast met de demarcatie. Er gaan geruchten over een op handen zijnde splitsing van de deelstaat Amazonas, waarin de Alto Rio Negro ligt. Een deel zou federale status krijgen en daarmee minder regionale autonomie. Voor het zover is, moet het proces van demarcatie zijn afgerond. Eenmaal geregistreerde inheemse territoria zijn volgens de Braziliaanse wetgeving juridisch beschermd. Maar zelfs als alles volgens plan verloopt, blijft er de angst dat de ontwikkeling weer kan worden teruggedraaid. Braz geeft als voorbeeld het bezoek dat Nelson Jobim, de Braziliaanse minister van Justitie aan FOIRN bracht en hoe deze, terwijl hij naar de kaart van het gebied wees die aan de muur hing, opmerkte dat de inheemse volken wel heel veel land opeisen. In zeventig procent wonen niet eens mensen, zei hij. Braz: “Dat ‘zeventig procent’-argument is feitelijk juist wat betreft onbewoning; het gebied is zo arm dat landbouw vaak onmogelijk is. Wij willen het gebied beschermen, behoeden voor roofbouw door anderen, omdat er anders een woestijn overblijft die ook de dertig procent zal opslokken die wel geschikt is voor landbouw.”
Jobim ondertekende eerder een decreet dat toestaat dat tot tweederde van de uitgevoerde demarcaties kan worden herzien. Hij staat daarin niet alleen. Braz merkt op dat ook sommige Congres-leden van mening zijn dat het demarcatieproces moet kunnen worden teruggedraaid, vooral als ze zelf belangen hebben in het gebied. “Dat soort acties zijn algemeen”, zegt hij. “De inheemse volken in Brazilië zijn een minderheid en het is onwaarschijnlijk dat zij ooit veel zetels in het Congres zullen krijgen. Maar president Fernando Henrique Cardoso was het afgelopen jaar hier en beloofde dat hij er zal zijn, wanneer het proces is afgerond.”
José Ribamar, die het nabij FOIRN gelegen kantoor van Fundação Nacional do Índio (FUNAI) leidt, benadrukt de onomkeerbaarheid van het demarcatieproces. Tegelijkertijd houdt hij wel een slag om de arm door te stellen dat het Congres altijd weer anders kan beslissen. Voorlopig echter zit het proces op schema en medewerkers van FUNAI voeren regelmatig helikoptervluchten uit om de coördinaten van het af te bakenen gebied vast te stellen, aldus Ribamar.
Het Institut pour le Développement Sanitaire en Milieu Tropical (IDSMT) werkt sinds juni 1997 in het Parque Nacional do Pico da Neblina, een beschermd oerwoudgebied en territorium van de Yanomami dat grenst aan Venezuela. In Maturaca, een Yanomami-gemeenschap van ongeveer zevenhonderd personen ten noorden van São Gabriel da Cachoeira, heeft de Braziliaanse arts Newton Schmit een kleine kliniek. De Yanomami, voormalige nomaden, wonen hier in lemen hutten en verbouwen maniok. Ze hebben de tabak in hun onderlip vervangen door het eten van suiker als genotmiddel, met alle gevolgen voor de conditie van hun tanden. Omdat een groep doorgaans rond de honderd personen telt, is de gemeenschap eigenlijk te groot voor het leefgebied, waardoor er altijd een tekort is aan vis en vlees. Fruit en farinha (geroosterde maniokbloem) zijn er daarentegen voldoende en de toestand is redelijk stabiel.
Tuberculose is in Maturaca en omgeving een probleem, al is het minder groot dan in het westelijke Rio Negrogebied. Reuma is sterk in opmars, waardoor vooral vrouwen, die het zware sjouwwerk doen, worden getroffen. De uit São Paulo afkomstige arts is de eerste veldwerker die ik ontmoet die niet louter negatief is over de rol van de kerk in het gebied. “De missionarissen arriveerden hier in 1954 en eerst probeerden ze, net als elders, de inheemse cultuur te vernietigen. Er zijn priesters geweest die om die reden door de inheemse bevolking zijn weggestuurd. Tegelijkertijd is het een feit dat door culturele interactie de gezondheid van de mensen verbeterde, waardoor epidemieën moeizamer op gang kwamen.”
Met de kerk kwamen ook caboclos, mensen van gemengde afkomst, die de inheemsen leerden hoe ze huizen moesten bouwen en maniok konden verbouwen. “Cultuur is niet statisch”, zegt Schmit. “Cultuur is altijd in beweging. Dat moet die ook wel zijn, omdat ze anders verkalkt en uiteindelijk van binnenuit sterft.” Schmit hekelt het gebrek aan infrastructuur in het gebied. “Het ergste is dat de Braziliaanse overheid daar niets aan doet. Er is een armoedig streekcentrum in São Gabriel da Cachoeira, meer niet. De meest elementaire voorzieningen zijn in handen van het leger, dat ieder jaar opnieuw een andere arts of tandarts stuurt. Daardoor is er geen continuïteit, nooit een team met verstand van zaken en van de regio waarop je kunt terugvallen.”
Wordt vervolgd…
